Cahier 04 – Opruimen

De kunst van het weghalen

Door Iris Schutten

Herbestemming heeft de laatste jaren een meer centrale positie verworven binnen het architectonisch en stedenbouwkundig discours. Met de toenemende leegstand van vastgoed en de aandacht voor duurzaamheid staat hergebruik nu volop op de agenda. Net als bij nieuwbouw gaat het hier om zorgvuldig programmeren, vormgeven en materialiseren. Maar anders dan bij nieuwbouw wordt ook de inverse daarvan steeds belangrijker: het opruimen, strippen, weghakken of slopen. Daarbij werkt de architect of stedenbouwer als de beeldhouwer die uit het bestaande de essentie tevoorschijn haalt en daarmee het bestaande beter laat functioneren. ‘In de toekomst kan het ontdoen als creatieve daad net zo belangrijk worden als het doen’ schreef Piet Vollaard in 2010 naar aanleiding van de installatie Vacant NL van Rietveld Landscape tijdens de Architectuur Biennale in Venetië. Inmiddels wordt de kunst van het weghalen op meer plekken toegepast als nuttige strategie en verovert deze zich gaandeweg een plek binnen het hedendaagse architectuuronderwijs.

Leegstand

De installatie van Rietveld Landscape spreekt nog steeds tot de verbeelding. In een al 39 jaar meestal leegstaand expositiepaviljoen lieten zij de zee aan leegstaande publieke gebouwen zien die Nederland rijk is. Ruim 10.000 inspirerende gebouwen met unieke gebruiksmogelijkheden: kerken,  forten, spoorweghuisjes, landingsbanen, F15 shelters, kloosters, zwembaden, bunkers, kastelen, gevangenissen en nog veel meer uit de zeventiende tot en met de twintigste eeuw. Zou ook het private vastgoed in deze tentoonstelling zijn meegenomen, dan was met name door het grote hoeveelheid leegstaande kantoorgebouwen, het aantal nog vele malen groter geweest. In tegenstelling tot de meeste kantoren staat veel van het leegstaande erfgoed dat tentoongesteld werd, niet in no go areas maar midden in de stad of midden in het landschap. Een voorbeeld is het prachtige zenderpark Radio Kootwijk op de Veluwe – hoogstaand cultureel erfgoed met omgevingskwaliteiten die de gebouwen nog bijzonderder maken.

Met de tentoonstelling werd in één klap zichtbaar wat al vaker is geroepen: het gaat bij architectuur en stedenbouw niet om bouwen alleen, maar om het goed kijken naar wat er al is. Leegstand heeft een enorme maatschappelijke en (creatief-) economische potentie die te weinig benut wordt en die een enorme economische waarde vertegenwoordigt. Door het zichtbaar maken van deze leegstand en de oproep deze ruimte per direct beschikbaar te stellen voor innovatie, al dan niet tijdelijk, werd dat in één klap op de agenda gezet.

Met de crisis neemt de vraag naar nieuwe gebouwen af,  maar omdat onze maatschappij in transitie is – denk aan de vergrijzing, de opkomst van het ‘nieuwe werken’, de toenemende duurzaamheidseisen, de groei van het aantal zelfstandig professionals – is de noodzaak tot verandering van bestaande gebouwen des te relevanter, helemaal nu er zoveel leeg staat. Laten we voordat we gaan bouwen, eerst goed kijken naar wat reeds klaar staat om hergebruikt te worden. En als we toch nieuw gaan bouwen laten we dan goed kijken naar welke gebouwen door de nieuwbouw leeg zullen komen te staan en wat we daarmee willen en kunnen doen. Vaak betekent nieuwbouw op de ene plek immers leegstand op de andere.

Nieuwe condities

Drie jaar na de Biennale staat nog steeds een groot deel van het vastgoed leeg en wordt naarstig gezocht naar manieren om het nieuw leven in te blazen. Dat gebeurt op verschillende niveaus. Zo is door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed het Nationaal Platform Herbestemmen opgericht. Tegelijkertijd zijn tussentijdinitiatieven op lokaal niveau bezig om bottom-up met nieuwe ontwikkelmethodes te experimenteren, zoals de Investeringsmaatschappij De Binck op de Binckhorst in Den Haag. Beiden realiseren zich dat daarbij meer komt kijken dan een goed architectonisch ontwerp. Onderwerpen als wet-en regelgeving, nieuwe financieringsvormen, tijdelijk gebruik en burgerinitiatief komen in beeld. Zo zijn er crowdfunding initiatieven gaande voor de leegstaande Pier in Scheveningen en de Soda Fabriek in Schiedam, wordt in Heesterveld, (Amsterdam ZO) tijdelijk gebruik door woningbouwcorporatie Ymere ingezet als katalysator voor nieuwe ontwikkelingen, is de Atoomclub in Utrecht herontwikkeld middels cashflowplanning en is de Vechtclub XL in Utrecht door middel van crowdfunding van de grond gekomen.

Met name de crisis maakt het noodzakelijk om na te denken over dergelijke nieuwe manieren van ontwikkelen. Waar sommigen nog geloven dat het ooit wel weer goed komt met de bouwproductie en we straks de draad weer op kunnen pakken en op de oude voet verder kunnen, begint het anderen meer en meer te dagen dat we op een totaal nieuwe manier zullen moeten gaan werken omdat met de huidige crisis ook de tijden voorgoed veranderd zijn.

Systeemverandering

De Russische econoom Nikolai Kondratieff heeft laten zien dat een crisis altijd volgt op een maatschappelijke omwenteling zoals de industriële revolutie, de aanleg van spoorwegen, de introductie van de auto en nu het informatietijdperk. Wat deze crises gemeen hebben is dat de wereld ná de crisis er compleet anders uitziet dan ervóór; met andere werkvormen, organisatiestructuren, een andere ruimtelijke ordening en andere spelers aan het roer.

Ook de huidige crisis wordt gezien als zo’n omslagpunt en zet ertoe aan om de stad, en het maken van de stad, opnieuw te overdenken. De Nederlandse ruimtelijke ordening, stedenbouw en architectuur kende de afgelopen eeuw een steeds grotere mate van top-down regulering, uniformiteit en grootschaligheid, waarvan de burger zich afhankelijk opstelde. Nieuwe generaties begeven zich echter in toenemende mate in meer horizontale structuren. Ze bewegen zich in allerlei (onzichtbare) netwerken en zijn via nieuwe, snelle, flexibele structuren maatschappelijk en politiek betrokken. Varend op de woelige baren van systeemverandering zien we een ander soort gebiedsontwikkeling, architectuur en stedenbouw ontstaan. Er wordt een omslag gemaakt van de grote naar kleine schaal, van hoge investeringen aan de start naar een meer geleidelijke cashflowplanning, van integraal ontwerp naar lossekorrelplanning, van situaties met enkele leidende professionals naar een praktijk met vele spelers, van eindbeeld naar startbeeld, van vertrouwen op standaardmethoden naar het experimenteren met nieuwe.

Dit alles heeft consequenties voor de financiële, juridische, ruimtelijke en procesmatige kanten van gebiedsontwikkeling, stedenbouw en architectuur. Twee aspecten zien we daarbij nagenoeg overal terug: de introductie van de factor tijd in het ontwikkelproces en het centraal stellen van het bestaande – dat wil zeggen de mensen, netwerken, gebouwen en behoeftes die reeds voor handen zijn. Men verbindt deze lokale krachten op zodanige wijze dat nieuwe perspectieven ontstaan, geeft ze ruimte en tijd om deze stap voor stap te ontplooien en komt met een nieuwe visie op eigenaarschap en kapitaal. Stuk voor stuk thematieken die door nieuwe platforms als Ruimtevolk momenteel volop op de agenda worden gezet.

Torre David

Het wellicht grootste herbestemmingsproject ter wereld is een goed voorbeeld van herontwikkeling nieuwe stijl. Dit project, Torre David, staat in Caracas en is een nooit afgebouwde wolkenkrabber die in 2007 werd gekraakt en sindsdien door een groeiende groep bewoners wordt bewoond en verbouwd tegelijkertijd. De wolkenkrabber staat middenin het financial district van de Venezolaanse miljoenenstad Caracas en is met zijn 192 meter het op twee na hoogste gebouw in de stad. Toen de ontwikkelaar stierf en even later ook de  financiële sector van Venezuela failliet ging, kwam de bouw stil te liggen en bleef de 45 verdiepingen tellende, kale betonkolos zonder gevels, liften en installaties verlaten achter. Het casco bleek onverkoopbaar en stond dertien jaar lang bloot aan weer, wind en plunderaars totdat de eerste krakers er zich nestelden en verdieping voor verdieping koloniseerden.

In de loop van tijd hebben zij zich de bestaande structuur toegeëigend, gevels, leidingen en binnenwanden gebouwd. Stap voor stap passen zij het gebouw aan en hebben er naast woningen voor inmiddels 750 gezinnen, ook sportruimtes, werkplaatsen, een kerk en winkels gebouwd. De helft van het complex is inmiddels bewoond en er heeft zich een stabiele, autonome community gevormd: een sloppenwijk, kraakpand en gated community ineen. In Torre David is sprake van een geleidelijke herbestemming die zich geheel zonder planners, architecten en ontwikkelaars voltrekt. Er wordt stad gemaakt, hands-on, collectief en voortbouwend op wat er echt is: bestaand vastgoed en bestaande behoeftes. Dat staat in schril contrast tot de vele locaties die men momenteel ‘organisch’ en met behulp van particulier initiatief wil ontwikkelen nu de recessie de oude manier van stedelijke ontwikkeling heeft lamgelegd maar men de bijbehorende grondpolitiek en planningstradities nog niet durft los te laten.

Tussentijd

Met de toenemende leegstand zijn dergelijke vormen van ‘kraken’ opnieuw op de agenda gekomen. Nu een kraakverbod van kracht is, worden onder de noemer van ‘tussentijd’ toch heel wat braakliggende terreinen en leegstaande gebouwen bottom-up geherprogrammeerd. Tussentijd is de tijd dat oude functies verdwenen zijn maar zich nog geen nieuwe definitieve functies hebben aangediend. Het werd jarenlang gebruikt als een gat in de planvorming dat de gelegenheid bood om – buiten de formele instituties om – alternatieve wijzen van architectuur, stedenbouw en ruimtelijke ordening uit te proberen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw gebeurde dat in de vorm van kraakbolwerken. Vanuit de kraakscene zijn heel wat bijzonder woon- en/of werkprojecten gerealiseerd – later gebeurde dat in de vorm van kunstprojecten zoals ‘De Strip’ van Jeanne van Heeswijk in Vlaardingen of Hotel Transvaal van Mobiel Projectburo OpTrek in Den Haag en inmiddels als tussentijdinitiatieven zoals die op het NDSM terrein in Amsterdam en het Schieblock in Rotterdam.

website-cahier-04-14-overtoom

Leegstaande parkeergarage aan de Overtoom

Waar ‘tussentijd’ als begrip jarenlang rondzwierf in de marge van de stedelijke ontwikkeling is het de laatste jaren meer en meer een instrument voor planvorming. De vraag is alleen voor welke planvorming? Voor de grootschalige, uniforme planvorming die tussentijdinitiatieven eerst bestreden? Of zijn de methodieken die binnen de tussentijd zijn ontstaan zelf uitgegroeid tot een nieuw soort strategie? Voor veel van de krakers, kunstenaars en tussentijd-initiators is tussentijd immers nooit doel op zich, maar enkel een vehikel voor een meer inclusieve, meer continue wijze van werken aan de stad. Geen pauzenummer dat opgezet wordt als de dj even weg is, maar de hoofdact zelf. Een act waarin niet het ‘stad maken’, maar het ‘stad zijn’ centraal staat en waar gezocht wordt naar meer incrementele werkwijzen.

Onder het credo think big, act small leent de tussentijd, als vorm van ruimtelijk, tijdelijk én economisch pauzelandschap, zich uitstekend voor het proefondervindelijk uitvinden van nieuwe mogelijkheden. Het creatief gebruiken van het pauzelandschap appelleert aan innovatief design, ondernemerschap en het leggen van nieuwe verbanden. Wat de ontwikkelaar, gemeente of corporatie ondertussen kan doen is dergelijke proeven de tijd en ruimte geven, niet alleen op het fysieke vlak, maar juist op ook het financiële, organisatorische en juridische vlak. Initiatieven als Eetbaar Landschap in Tilburg en Carbon6 in het voormalige CBS-gebouw in Heerlen laten zien dat tussentijd dan een levend laboratorium kan worden, waar middels social design de kwaliteit van leven in de stedelijke ruimte een positieve impuls krijgt.

website-cahier-04-17-hotel-transvaal

Tussentijd in Transvaal

Reactivate

Het gaat bij dergelijke vormen van architectuur bedrijven meer om het programma en het reactiveren dan om het architectonisch ontwerp alleen. Er lijkt een hele nieuwe generatie architecten, stedenbouwers, planners en experts te ontstaan die zich herkennen in het reactivisme. Een scheikundig begrip dat volgens Indira van het Klooster verwijst naar het gemak waarmee kleine eenheden of functionele groepen een (niet omkeerbare) chemische reactie aangaan. Het project Hotel Transvaal is een reactiverend project avant la lettre en illustreert dat goed. Dit hotel nestelde zich van 2007 tot 2009 in de vrijgekomen woningen van de herstructureringswijk Transvaal in Den Haag. De voorzieningen in de wijk waren de voorzieningen van het hotel; de Turkse bakker verzorgde het ontbijt, de wasserette was de wasserette van het hotel en hotelkamers werden deels ingericht door kunstenaars en deels door lokale bedrijfjes. Zo ontstond het grootste hotel van de wereld waar de trams door de gangen reden. Door met een nieuwe bril naar de wijk kijken, en niet de problemen van deze ‘krachtwijk’ centraal te stellen, maar de gastvrijheid, ontstond een andere werkelijkheid en werd een nieuwe sociale structuur in de uit elkaar vallende wijk geschoven. Er werd een hotel gebouwd zonder ook maar één steen op de andere te hoeven stapelen.

website-cahier-04-18--hotel-transvaal-indiase-kamer

Indiase kamer in Hotel Transvaal ,ingericht door ondernemer Ramon Lachmansingh

Ogenschijnlijk niets doen

Naast de kanteling van de condities waaronder architectuur en stedenbouw tot stand komen is er ook sprake van een kanteling van het architectonisch en stedenbouwkundig vak zelf. Nu niet meer het nieuw maken maar het herbestemmen aan belang wint, ontstaan ook vormen van architectuur en stad maken waarbij geen nieuwe materie aan de stad wordt toegevoegd. Deze inverse van de oude opvatting van wat een architect of stedenbouwer zou kunnen zijn, kent verschillende gradaties, uiteenlopend van het bescheiden ‘opruimen’ van een locatie, waarbij niet méér wordt gedaan dan de essentie van het bestaande zichtbaar te maken door al het overbodige weg te halen, tot en met het drastisch slopen van gebouwen.

Een mooi voorbeeld van goed opruimen is het voorstel van Lacaton & Vassal voor het Place Léon Aucoc in Bordeaux in 1996. Toen hen gevraagd werd met een ontwerp voor dit plein in een arbeiderswijk te komen, zijn zij niet direct de studio ingedoken om mooie ruimtelijke studies te maken maar hebben zij eerst uitgebreid de tijd genomen om het plein te bezoeken en te ervaren. Dit plein bleek reeds ‘mooi’ in zijn authenticiteit en behoefde in hun ogen eigenlijk helemaal geen groots ontwerp. Behalve nieuw grind, een schoonmaakbeurt en ruimtelijk beheer was volgens hen niets nodig om dit plein op te waarderen en daar is het dan ook bij gebleven.

Ook bij M3H architecten speelt het opruimen een belangrijke rol bij herbestemmingsprojecten. Voordat met nieuwe, meubelachtige toevoegingen een plek geschikt wordt gemaakt voor nieuwe toepassingen, wordt eerst grondig geanalyseerd en opgeruimd. Daarmee komt de essentie van een plek tot zijn recht. Hoe ingenieus bedacht, mooi gematerialiseerd en strategisch geplaatst hun toevoegingen ook zijn, een groot deel van hun werk bestaat uit opruimen. Met de zaken die ze hebben weggehaald, die inmiddels onzichtbaar zijn, laten zij de essentie van de plek spreken. Dit ogenschijnlijk niets doen maakt een groot deel uit van de uiteindelijke kwaliteit van het werk en wordt vaak onderschat of over het hoofd gezien als essentiële, architectonische kunde. Soms is opruimen alleen echter niet genoeg, dan moet er worden gebroken of herschikt en hebben we twee andere vormen van inverse-architectuur te pakken; naast het eerder beschreven ‘reactivate’ is ook sprake van ‘reshape’ en/of ‘superuse’.

website-cahier-04-20-het-verwoeste-huis

Het Verwoeste Huis, Marjan Teeuwen

Reshape

Bij het reshapen worden delen van een gebouw verwijderd om de rest beter te laten functioneren, zo kan bijvoorbeeld een saai kantoorgebouw door het weghakken van onderdelen ineens een interessant woongebouw met een keur aan buitenruimtes worden. Beeldhouwers zijn natuurlijk meesters in het weghalen. De godfather van het het beeldhouwen met gebouwen is beeldend kunstenaar Gordon Matta-Clarck. In veel van zijn projecten zaagde hij openingen dwars door gevels, deuren, deuren en wanden heen waarmee hij nieuwe, ruimtelijke constellaties creëerde. Ook de Britse kunstenaar Richard Wilson manifesteerde zich als gebouwbeeldhouwer. In juni 2007 realiseerde in Liverpool de installatie ‘Turning the place over’. Hij zaagde een ovaal van acht meter doorsnede uit de gevel van het voormalig pakhuis en maakte daar een ronddraaiende installatie van. In 2010 realiseerde Marjan Teeuwen de installatie Verwoest Huis in de Piet Mondriaanstraat in Amsterdam. Ook in deze installatie stonden ingrijpende architectonische ingrepen centraal, waarbij grote delen uit plafonds, vloeren en muren waren gehakt en al het gebruikte materiaal voor de installatie uit het flatgebouw kwam; in totaal zijn hiervoor ongeveer 45 flats gestript.

Al deze kunstenaars hebben prachtige, ruimtelijke installaties gemaakt – al blijven ze autonoom van aard.Het onlangs gepubliceerde boek de Flexibele stad van Temp. Architecture laat meer pragmatische voorbeelden zien van de kunst van weghalen. Zij halen daarin de herbestemming van het pakhuis Jobsveem in Amsterdam aan als voorbeeld van de ‘unbuild’-strategie. Dit pakhuis uit 1913 raakte na de Tweede Wereld Oorlog zijn oorspronkelijke functie kwijt toen de havenactiviteiten verschoven naar andere plekken in de stad. ‘Het pakhuis werd uitgeroepen tot industrieel rijksmonument en herbestemd als woongebouw, waarbij er 109 appartementen in werden ondergebracht. Het pakhuis, dat bedoeld was om efficiënt en in het donker goederen op te slaan, had voor wonen geenszins ideale afmetingen. Woningen moeten immers voldoende daglicht krijgen. Om aan deze eis te kunnen voldoen ‘ontbouwden’ Mei en Wessel de Jonge architecten het circa 22 meter diepe gebouw met drie grote gaten van voor– tot achtergevel. In deze ‘horizontale atria’ is al het verticale verkeer opgenomen. De wanden van de aangrenzende woningen zijn uitgevoerd in glas.’

website-cahier-04-15-worm

Worm, Instituut voor Avengardistische recreatie

Superuse

Superuse gaat nog een stap verder, daarbij worden de onderdelen die op de ene plek uit het gebouw worden gehaald, op een andere plek – soms zelfs in hetzelfde gebouw – weer hergebruikt. Een bureau dat hiervan zijn specialiteit heeft gemaakt is Superuse Studios, voorheen 2012 architecten. Alvorens te ontwerpen maken zij eerst oogstkaarten van het materiaal dat in de directe omgeving van de ontwerplocatie te vinden is. Dat kan bouwmateriaal zijn, maar ook kennis, water of energie. Zo hebben zij voor de herbestemming van WORM, een muziek/winkel/expo/werkplaats in Rotterdam, ter plekke gevonden rolarchiefkasten hergebruikt voor het maken van grote roltafels in het café gedeelte. Ook andere architectonische onderdelen zijn gemaakt van left-overs, zo zijn er voorzetwanden van vliegtuiggevels, vloeren van bureaubladen en wanden van zwembadlockers gemaakt. Een duidelijk voorbeeld van architectuur maken zonder nieuwe materialen aan de wereld toe te voegen, maar gewoon door materialen te verplaatsen naar daar waar ze het meest bruikbaar zijn. Zij noemen dat superuse: ‘het ontwikkelen van afvalstoffen, met gebruik van zo min mogelijk energie voor transport en verwerking, tot bouwmaterialen.’ Dit gebruik van restmaterialen keert het ontwerpproces om. ‘De ontwerper kan niet van een vorm uitgaan en daar de materialen bij zoeken. Het ontwerp wordt sterk gestuurd door de eigenschappen van het materiaal dat gevonden wordt. Het ontwerp en het bouwproces wordt daarom dynamisch ingericht, waarbij het resultaat voortkomt uit een samenspel tussen betrokken partners, de context, beschikbaar materiaal en het programma.’

De winst van het niet bouwen.

Het belang van het kijken naar wat er is, wordt steeds urgenter. Zoals Marcel Proust al eens schreef: ‘Bij de ware ontdekkingsreis gaat het niet om het verkennen van nieuw terrein, maar om het zien met andere ogen.’ Door anders, beter en disciplineoverstijgend te kijken naar dat wat we al hebben en daarvan binnen de architectuur slim gebruik te maken, ontstaan nieuwe mogelijkheden voor architectuur en stedenbouw. Het Belgische bureau RE_ST voert wat dat betreft momenteel een interessant onderzoek uit: de winst van het niet-bouwen. Het is een onderzoek naar hoe men door niet te bouwen zou kunnen voorsorteren op latere winsten.

Het onderzoek bepleit een ‘verschuiving van een consumptielandschap naar een (re-)conversielandschap waarbij de ruimtelijke, economische, sociale of ecologische winst niet eindigt na de ontwerp- en bouwfase, maar zich in de lange termijn van het verdere beheer situeert. Ontwerpers die niet in eerste plaats ontwikkelen maar die het reeds ontwikkelde territorium herstellen, renoveren, opruimen, herschikken, vervangen of vernieuwen.’ Een van de voorbeelden die zij aanhalen is het Nationaal Park Hoge Kempen. Door dat wat voorheen een onbenoemd restlandschap was een naam te geven, wordt omliggend vastgoed ineens meer waard. Ook strategieën voor het slimmer bevoorraden van winkelgebieden in binnensteden kunnen ervoor zorgen dat bijvoorbeeld niet uitgebreid hoeft te worden maar dat toch meer winkeloppervlak vrijkomt en de winsten stijgen.

nieuwsberichten-web-fokker-2

Fokker Terminal, Den Haag

Innovatie in het architectuuronderwijs

Herbestemming maakt op steeds meer universiteiten, academies en hogescholen in toenemende mate deel uit van het curriculum. Dit heeft tot gevolg dat ook het ontwerponderwijs zelf verandert. Thema’s als reactivate, reshape en superuse komen steeds vaker in de curricula voor. Naar aanleiding van de expo Vacant NL heeft Rietveld Landscape bij het Sandberg Instituut zelfs de tweejarige masteropleiding Vacant NL gedraaid waar thema’s rondom leegstand, tijdelijk gebruik en innovatie op een interdisciplinaire manier aan de orde kwamen en studenten werden opgeleid tot specialisten in tijdelijk hergebruik. In Den Haag is in 2011 de masteropleiding INSIDE gestart waarin onder andere het superuse-denken aan de orde komt.

Centraal in deze nieuwe opleidingen staat de notie dat interdisciplinair werken een realiteit en noodzaak is geworden om de gangbare praktijk te kunnen kantelen. Zeventig studenten van veertien universiteiten en hogescholen werkten daarom in de zomer van 2013 gezamenlijk aan het vernieuwende en multidisciplinaire onderwijsproject ‘De Week van het Lege Gebouw’. Kernvragen daarbij waren hoe je een monumentale rijksgebouw opnieuw kunt programmeren en hoe de diverse disciplines (ontwerp, erfgoed, vastgoed, planning, bouw) hiermee om kunnen gaan: ‘Welke initiatieven zijn nodig en bruikbaar? En hoe werken we naar een ‘open plan’ in plaats van een volledig doorontworpen plan?’ Sommige studenten en docenten hadden hier nog moeite om door de traditionele manieren van denken en werken heen breken, maar door een week lang met zo veel verschillende disciplines en diverse externe experts in een werkelijk leegstaand gebouw bijeen te zitten, lukte het om dat gebouw opeens met nieuwe ogen bekijken. Met het onderling uitwisselen van jargon en blikveld werden nieuwe manieren van kijken aangeleerd en zaadjes voor innovatie geplant.

website-cahier-04-16-week-van-het-lege-gebouw

Werkzaamheden tijdens De Week van het Lege Gebouw

De stad zelf als academie

Uit een snelle inventarisatie blijkt dat momenteel met name op de academies onderwijsprojecten plaatsvinden waarin de technieken van het reactiveren, reshapen en superusen aan de orde komen. Zo draaide bij Ruimtelijk Ontwerpen op de Willem de Kooning Academie in Rotterdam diverse keren een project rondom de herbestemming van de Marconitorens in Rotterdam. Deze drie iconische kantoortorens zijn met de recente oplevering van De Rotterdam van Rem Koolhaas leeg komen te staan omdat het nieuwe gebouw deels gevuld – en gefinancierd – is met de herhuisvesting van de gemeentelijke diensten die eerder in de drie Marconitorens huisden. Het reshapen van de torens die de ambtenaren leeg achter zouden gaan laten maakte nadrukkelijk deel uit van de ontwerpopgave.

Ook komt de systeemverandering op de WDKA aan bod, zoals bij het project ‘Urban Interiors, re-activating possibilities of art and design in times of crisis’. In dit project wordt samengewerkt met festival organisatie ZigZagCity waarbij langs een zigzagroute door de stad diverse interventies, kunstwerken en activiteiten geprogrammeerd worden die de diversiteit en veelzijdigheid van de publieke ruimte voor het voetlicht brengen en actuele vraagstukken inzichtelijk maken. Studenten werken in groepen aan verschillende locaties langs deze route.  Ze verdiepen zich in actuele en internationale vraagstukken rondom stedelijke ruimte en komen vanuit een grondige analyse tot een specifiek voorstel voor de plek.

In dit soort projecten is niet meer een helder omschreven programma van eisen of functie de leidraad voor ontwerpopdrachten, maar worden studenten de stad ingestuurd om zelf aan de hand van een grondige analyse en mapping van een specifieke locatie en situatie tot korte- en langetermijnvoorstellen voor de stedelijke omgeving te komen. Het 1:1 doen van experimenten op locatie en het betrekken van lokale stakeholders maakt deel uit van de opgave. Studenten worden daarmee getraind zich meer als reactivator dan als dienstverlener op te stellen, en na te denken over wat dat betekent voor hun ondernemerschap en verdienmodellen. Deze nieuwe insteek binnen het ontwerponderwijs resulteerde onder meer in prijswinnende afstudeerprojecten zoals de herbestemming van de Pier in Scheveningen tot autonoom kuureiland, van Marijn Hekker.

Kritische ontwerphouding

Ook op de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam worden de laatste jaren thema’s als Superuse, Reactivate en Reshape in het ontwerponderwijs geimplementeerd. Machiel Spaan zegt daarover dat ieder project zijn eigen focus heeft: ‘In het onderwijs is dat ook belangrijk. Je kunt een student niet alles in één opgave leren. En het gaat ook niet over het aanleren van een methode, maar om het aanleren van een kritische ontwerphouding in het vak. Als je dit lukt dan kan de student zelf bedenken dat hij wellicht weinig toe hoeft te voegen, maar slechts moet opruimen en weghalen.

Twee goede voorbeelden hiervan zijn twee afstudeerplannen van studenten van de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam: Dingeman Deijs en Jeroen Atteveld. Beide nemen een bestaande situatie als uitgangspunt. Deijs de oude mergelgroeven nabij Maastricht en Atteveld de vuilverbrandingsinstallatie in het Amsterdamse havengebied. Ze zoeken naar de potenties van de plek, ordenen die, voegen slechts toe wat nodig is en maken maximaal gebruik van het bestaande.

De kunst van het weghalen behoeft een goed begrip van het bestaande. Bouwtechniek en geschiedenis worden weer belangrijk. Als je niet weet waarom iets is zoals het is, en hoe de krachten en de materialen werken, weet je ook niet wat je wel en niet weg kan halen. Tegelijkertijd meten studenten zich ook een andere houding aan als ze leren over deze geschiedenis en bouwkunde. Ze leren het bestaande weer waarderen en leren dan ook er bewuster mee om te gaan.’

Met nieuwe ogen kijken

Wat we nodig hebben in deze veranderde wereld zijn architecten, planners, makers en stedenbouwers die in staat zijn om de kwaliteiten van het bestaande in te zetten als ‘humus voor vernieuwing’. Binnen het onderwijs wordt daarom de aandacht voor het herprogrammeren, opruimen, reshapen, superusen en daarmee de winst van het niet-bouwen steeds meer op de kaart gezet. Studenten leren allereerst om goed te kijken naar dat wat er al is, en wat we met slimme kortsluitingen en herschikkingen voor elkaar kunnen krijgen. Zolang stedenbouwers, ontwerpers en beleidsmakers niet de tijd nemen om goed naar een gebied te kijken blijft het veranderpotentieel van deze humus verborgen en daardoor onbenut. De nieuwe generatie architecten lijkt zich dat ‘goed kijken’ ook goed eigen gemaakt te hebben. Dit gebeurt veelal door zich werkelijk op de ontwerplocatie te vestigen, zelf mee te investeren of zich op andere wijze persoonlijk te engageren.

Piet Vollaard merkt in zijn essay terecht op dat architecten tot nu toe vaak slechts werden getraind in het toevoegen, stapelen en het brengen van materie naar daar waar er (nog) niets is. ‘Het idee dat je ook ruimte kunt creëren door aftrekking is daarom bijna een godslastering; aftrekken (ontdoen, afbreken) wordt gezien als een negatieve architecturale daad en de sloper als de demon.’ Met deze inverse van wat normaliter als architectuur wordt beschouwd komt ook het archetype van de architectuur in nieuw daglicht te staan. Naar aanleiding van hun studie naar Torre David wijzen Alfredo Brillembourg en Hubert Klumpner erop dat niet de primitieve hut het archetype gebouw binnen de architectuur is  –zoals de klassieke architectuurgeschiedenis pretendeert – maar dat de toe-eigening van grotten en andere natuurlijke holtes de oervorm van architectuur is. Met de huidige overvloed aan leegstaand vastgoed is dat een archetype dat meer aansluiting vindt bij de actualiteit dan het oprichten van nieuwe bouwwerken. Naast het oprichten, toevoegen en uitbreiden behoren dan ook meer dan voorheen het opruimen, reactiveren, ontdoen en herschikken tot het instrumentarium van een architect. Het met nieuwe ogen kunnen zien van dat wat er al is, is daarvoor een essentiële kunde.

terug naar boven